Artikeltjes - http://www.artikeltjes.com
Wat is het Parlement?
http://www.artikeltjes.com/artikeltjes/118/1/Wat-is-het-Parlement/Page1.html
Door Marieke Vos
Gepubliceerd op 11/09/08
 
Sommige dingen weet je wel, maar als je het uit zou moeten leggen is het toch even wat anders. In dit artikel daarom een uitleg wat ook al weer het parlement is en waarom we het hebben, het verschil tussen de Tweede Kamer en de Eerste Kamer en een aantal argumenten om de Eerste Kamer te houden of toch af te schaffen.

Een omschrijving van het parlement en haar twee taken.

Wat is het Parlement?

Met Parlement bedoelen we alle mensen die ons als volk vertegenwoordigen. In een indirecte democratie zoals de onze kiezen we bij verkiezingen volksvertegenwoordigers, die onze belangen moeten behartigen de komende paar jaar. Het gaat hier dus om politici, mensen die een functie bekleden omdat ze daarvoor gekozen zijn.

In Nederland zijn er twee delen van het Parlement, namelijk de Tweede Kamer en de Eerste Kamer. Als je volledig wilt zijn zijn het de twee Kamers der Staten-Generaal. Vroeger, voor we ook maar enige vorm van democratie hadden, waren er namelijk ook al afgevaardigden die bijeenkwamen als de koning die ons toen regeerde (die van Spanje bijvoorbeeld) belasting wilde heffen. Die vergadering heette de Staten-Generaal, omdat er drie standen (=staten) verzameld werden in een algemene (=generale) vergadering. De drie standen uit die tijd waren de adel, de geestelijkheid en de burgerij. De naam van die vergadering is gebleven, al is de inhoud compleet veranderd.

Taken van het parlement

Het parlement heeft twee taken:

  1. Het maken van wetten.
  2. Het controleren van de regering.

De eerste taak is belangrijk omdat in Nederland niets buiten de wet om mag gebeuren. Als er niet in de strafwet staat dat diefstal strafbaar is mag de politie je er niet voor oppakken. Als er niet in het burgerlijk recht staat dat je een stuk land in bezit mag hebben kan iedereen er een huis op bouwen. En als er geen begrotingswet is mag de minister geen geld uitgeven. Het maken van wetten, maar ook het veranderen van wetten is dus belangrijk. Een wet kan veranderen door een nieuwe wet in te dienen die de vorige vervangt. Zo worden er nog steeds veel wetten gemaakt - denk maar eens aan alle nieuwe wetgeving die nodig is omdat er nu internet is. Ook dingen die de overheid niet verbiedt zijn meestal toch per wet geregeld. Denk maar eens aan de vergunning die je aanvraagt voor het verbouwen van je huis, de subsidie die je kunt krijgen voor kinderopvang of de belasting die je betaalt aan de gemeente. Dat al die dingen bestaan en hoe ze precies werken is vastgelegd in wetten.

De tweede taak van het parlement is het controleren van de regering. De regering is namelijk niet door ons gekozen. Omdat in een democratie het volk de macht heeft, moet onze volksvertegenwoordiging er dus voor zorgen dat de regering doet wat zij zeggen en hen niet negeert. Hoe de verhouding tussen kabinet en parlement precies zit leg ik uit in een artikel over de relatie tussen het parlement en het kabinet. Voor nu is het genoeg om te weten dat het parlement, althans een meerderheid van het parlement, de baas is. Dat is ook wel logisch: wanneer een minister wil regeren moet hij of zij wetten veranderen en een begroting hebben om geld uit te kunnen geven. Als de meerderheid van de Tweede Kamer het niet met hem eens is zullen ze tegen zijn wetsvoorstellen stemmen en kan hij dus erg weinig. Hetzelfde probleem heeft hij of zij wanneer een meerderheid van de Eerste Kamer tegen hem/haar is. Het parlement is dus de baas. Om de regering te controleren zijn er twee dingen van groot belang: dat zij informatie krijgen over wat de regering precies doet en wil gaan doen en dat de regering naar hen luistert als ze zeggen dat er iets moet veranderen.  


De Tweede Kamer der Staten-Generaal.

De Tweede Kamer (der Staten-Generaal)

De Tweede Kamer telt 150 leden. De Tweede Kamer is de Kamer die het meest in het nieuws komt. Als iemand in de media spreekt van een Kamerlid is het vrijwel altijd een lid van de Tweede Kamer. De Tweede Kamer is niet belangrijker dan de Eerste, maar heeft wel een stuk meer directe invloed op het beleid van de overheid. Dat komt door een aantal zaken. Allereerst vergadert de Tweede Kamer in principe de hele week, zodat een kamerlid ook full-time als kamerlid werkt en er geen andere baan bij heeft. Hij of zij is daarmee vaker aanwezig dan een lid van de Eerste Kamer, die in de meeste gevallen nog een andere baan heeft.

De tweede reden dat de Tweede Kamer meer in het nieuws komt is dat de leden rechtstreeks door het volk zijn gekozen. Elke vier jaar (of vaker als er vervroegde verkiezingen zijn) krijgen wij de kans om leden van de Tweede Kamer te kiezen. Daarbij stemmen we op personen en is bekend hoeveel stemmen elk lid heeft gekregen (zie ook het artikel over verkiezingen voor een uitleg van voorkeursstemmen). Een lid van de Tweede Kamer heeft als het ware een achterban die hem of haar steunt.

Het maken van wetten.

De Tweede Kamer heeft bovendien meer middelen dan de Eerste Kamer om wetten te maken. Zo mag een lid van de Tweede Kamer zelf een wetsvoorstel maken en is de rest van het parlement gedwongen er over te debatteren en stemmen. Dat heet het recht van initiatief en het resultaat is een initiatiefwet. Zo'n wet is op het moment bijvoorbeeld ingediend om kraken te verbieden. Een lid van de Eerste Kamer mag geen wet voorstel indienen.

Het belangrijkste middel dat het hele parlement heeft om wetten te maken is het stemrecht over wetsvoorstellen. Er is in Nederland niet één wet waar geen meerderheid van de Tweede Kamer èn meerderheid van de Eerste Kamer vóór hebben gestemd. Elk wetsvoorstel, of het nu een inititief van een Tweede Kamerlid is of een voorstel van een minister, komt eerst in de Tweede Kamer. Dat houdt in dat wanneer de Tweede Kamer het niet aanneemt, de Eerste Kamer er niet eens over hoeft te praten. (Zie ook het artikel over hoe een wet tot stand komt.)

Nog een middel dat de Tweede Kamer heeft en de Eerste niet is het zogenaamde recht van amendement. Dat betekent niets anders dan dat een lid dat het niet eens is met een deel van het wetsvoorstel niet tegen het hele voorstel hoeft te stemmen, maar een verandering kan voorstellen. Zo'n voorstel heet dan een amendement. Stel je voor dat de minister van verkeer een wet voorstelt die regelt hoe brommers zich in het verkeer mogen gedragen. In het voorstel staat waar brommers op de weg mogen en waar op het fietspad, hoe oud je moet zijn om brommer te mogen rijden, hoe je aan een bromfietscertificaat komt, bij welke hoeveelheid alocohol in je bloed je je certificaat kwijt bent en hoe snel je mag rijden op een brommer. Jij bent lid van de Tweede Kamer en bent het over het algemeen eens met de wet, maar vindt het jammer dat de leeftijd waarop je op een brommer mag rijden nog steeds 16 is, terwijl jij het hoger (of juist lager) zou willen hebben. Dan kun je tegen de hele wet stemmen, maar dat is wel erg drastisch. Je kunt ook een amendement indienen, waarin je de leeftijd 16 vervangt door een leeftijd die jou beter lijkt. Wanneer een meerderheid van je collega's het met je eens is en voor je amendement stemt verandert het wetsvoorstel. Nu kan het zijn dat de minister het niet eens is met je verandering. Dan kan hij alleen het voorstel in zijn geheel terugtrekken, maar dan komt er helemaal geen wet.

Het controleren van de regering.

Voor het controleren van de regering heeft de Tweede Kamer informatie nodig van de regering. Daarom is er het vragenrecht: elk lid van de Tweede Kamer mag vragen stellen aan de minister en die is verplicht daar eerlijk en zo snel mogelijk op te antwoorden. Dat gebeurt meestal schriftelijk, maar de Tweede Kamer heeft ook een vast vragenuurtje op dinsdagmiddag waar de leden een minister mondeling vragen mogen stellen. Om een goed antwoord te kunnen krijgen moeten ze die vragen wel eerst al schriftelijk indienen, zodat de minister zich kan inlezen. Tenslotte weet je niet alles uit het hoofd. De ambtenaren van het ministerie helpen dan ook vaak bij het beantwoorden van schriftelijke vragen en zoeken ook voor de mondelinge vragen van te voren vast het een en ander op voor de minister. Veel vragen die gesteld worden gaan over stukken die in de media zijn verschenen over problemen. Een voorbeeld van een vraag kan bijvoorbeeld zijn: "Heeft de minister het artikel gelezen in de Volkskrant van afgelopen dinsdag over het niet-reanimeerbeleid van verpleeghuizen? Was de minister op de hoogte van dit beleid? Vind de minister dat een dergelijk beleid toegestaan moet worden? En zo nee, wat gaat de minister aan deze situatie doen?" Je ziet dat de vraag eigenlijk uit meerdere vragen bestaat. Ook is het niet alleen een verzoek om informatie: de vragensteller vindt zelf dat het beleid niet goed is en wil dat de minister er iets aan doet. Anders was de laatste vraag wel geweest 'En zo ja, hoe gaat de minister het recht om dergelijk beleid te maken garanderen?'.

Soms is het stellen van een vraag of een paar vragen aan de minister niet genoeg om achter de volledige feiten te komen. In dat soort gevallen, wanneer er het een en ander fout is gegaan en het niet geheel duidelijk is waarom en hoe, kan de Tweede Kamer een onderzoek instellen. Dat heet het recht van enquete. Zo'n onderzoek kan kort zijn, maar wanneer een meerderheid van de Tweede Kamerleden besluit dat het nodig is kan er ook een uitgebreid onderzoek worden gehouden dat ook wel een Parlementaire Enquete wordt genoemd. Bij zo'n onderzoek krijgt een commissie van kamerleden de leiding, meestal een lid van elke kamerfractie. De commissie kan getuigen oproepen die onder ede gehoord worden. Wanneer je dus liegt tegen de parlementaire enquetecommissie en ze komen daar achter wordt je aangeklaagd wegens meineed. Een parlementaire enquete is er bijvoorbeeld geweest over de bouwfraude.

Soms is het niet genoeg om een minister een vraag te stellen, maar gaat het instellen van een onderzoek wel erg ver. Wanneer 30 leden van de Tweede Kamer (dus 20%) willen dat een minister inlichtingen komt geven over iets wat niet al op de agenda staat wordt de minister naar de kamer geroepen voor een speciaal debat. Dat kan een spoeddebat zijn, maar het kan later gepland worden als er meer moet worden voorbereid. Dat heet het recht van interpellatie, wat zoveel betekent als ondervraging. De ondervraging is uitgebreider dan bij het vragenuurtje en ook de andere fracties hebben meer tijd om te reageren. Er is ook meer tijd voor opmerkingen en debat omdat niet alles wat gezegd wordt een vraag of antwoord op een vraag hoeft te zijn. Ook dit recht heeft de Eerste Kamer niet.

Wat nu als je als kamerlid informatie hebt gekregen van de minister en daaruit concludeert dat er iets moet veranderen? Dan dien je een motie in. Een motie is niets anders dan een uitspraak van de kamer, bijvoorbeeld dat een minister meer geld zou moeten uitgeven aan openbaar vervoer of dat er een wetsvoorstel zou moeten komen om roken in openbare ruimtes te verbieden. Elk lid mag een motie indienen. Andere leden kunnen zich aansluiten bij de motie en als je tenminste 4 medestanders hebt wordt de motie in stemming gebracht. Wanneer de meerderheid voor de motie stemt is hij aangenomen en doet de Kamer dus de uitspraak die in de motie staat. De motie is geen wet, dus wanneer de Tweede Kamer in een motie zegt dat roken verboden zou moeten worden het ook daadwerkelijk verboden is. Pas als er een wetsvoorstel is ingediend en het is aangenomen door beide Kamers wordt het een wet. Ook is het niet zo dat het kabinet hoeft zich aan alle moties hoeft te houden. Wanneer de Kamer zegt dat een minister een wetsvoorstel moet indienen of ergens meer geld aan zou moeten besteden mag hij of zij dat gewoon negeren. Daar zit echter wel een nadeel aan: wanneer de meerderheid van de Kamer geen vertrouwen meer in de minister heeft of in het kabinet is het onmogelijk geworden nog te regeren. Geen enkele wet zou immers meer owrden aangenomen. En het naast je neerleggen van een motie is typisch iets waardoor mensen geen vertrouwen meer in je hebben.
Er zijn een aantal speciale moties, die niet zo vaak voorkomen en officieel ook geen andere status hebben maar wel vaak apart genoemd worden. Het gaat dan om de motie van treurnis, de motie van afkeuring en de motie van wantrouwen. In de eerste motie zegt de Tweede Kamer dat het een bepaalde gebeurtenis of situatie betreurt. In feite zegt ze dat er niemand verantwoordelijk is en het achteraf niet te veranderen valt, maar dat een bepaalde situatie nooit had mogen ontstaan. Er zijn geen verdere consequenties. Een stuk sterker is de motie van afkeuring. Hierbij geeft de Kamer aan dat het beleid dat de minister of het kabinet in een bepaalde zaak heeft gevoerd absoluut niet klopt en wordt afgekeurd. De minister wordt in feite gevraagd dit onmiddellijk te verhelpen of af te treden. In het verleden werd deze motie meestal gevolgd door het aftreden van de desbetreffende minister. Als je als minister zelf achter je beleid staat is het tenslotte onmogelijk het te veranderen, terwijl je als je er niet achter staat helemaal raar bezig bent geweest. Toch is dit niet verplicht, zoals we gemerkt hebben bij het debat rond het Nederlandse paspoort van Hirsi Ali. Minister Verdonk kreeg een motie van afkeuring tegen zich, maar besloot noch af te treden noch haar beleid te veranderen. Dit tot verbijstering van vrijwel alle betrokkenen. Het was al snel duidelijk dat ook de kamerleden weinig verschil zagen tussen een motie van afkeuring en een motie van wantrouwen, maar de parlementaire geschiedenis gaf haar genoeg manouvreerruimte om als minister op een andere post door te gaan. Dit kon omdat er niets in onze grondwet staat over dit soort situaties. Het verschil tussen een motie van afkeuring en een motie van wantrouwen is volgens de experts dit: bij afkeuring wordt alleen het beleid afgekeurd, niet de minister. Bij wantrouwenheeft de Kamer geen vertrouwen meer in de persoon van de minister, niet alleen in haar beleid. Voor meer details verwijs ik naar het artikel over ministeriële verantwoordelijkheid en de vertrouwensregel (relatie tussen kabinet en parlement).


De Eerste Kamer der Staten-Generaal.

De Eerste Kamer (der Staten-Generaal)

De Eerste Kamer is er gekomen omdat de Belgen, die nadat Napoleon definitief verslagen was samengevoegd werden met Luxemburg en Nederland tot één Koninkrijk der Nederlanden, meer invloed van hun adel wilden op de landsregering. Tegen de tijd dat de Eerste Kamer er definitief was gekomen scheidde België zich weer af van Nederland, maar de Eerste Kamer is gebleven. Oorspronkelijk moest je van adel zijn om in aanmerking te komen voor lidmaatschap van de Eerste Kamer. Dat is nu niet meer zo.

De Eerste Kamer bestaat uit 75 leden. Naast het verschil in grootte verschilt de Eerste Kamer op een paar belangrijke punten met de Tweede Kamer. Ten eerste zijn de leden slechts part-time volksvertegenwoordigers. Voor het grootste deel van de week hebben zij hun eigen maatschappelijke carriere. Dat heeft zo zijn voordelen omdat de leden dieper in de samenleving staan dan de full-time politici en zo dichter bij de burgers. Aan de andere kant betekent het ook dat ze minder vaak vergaderen. De meeste politieke zaken worden daarom niet in de Eerste maar in de Tweede Kamer uitgevochten.

Het tweede radicale verschil is dat de leden van de Eerste Kamer niet direct worden gekozen, maar indirect. Dat houdt in dat bij verkiezingen voor de Eerste Kamer niet het volk het kieshokje binnenstapt, maar volksvertegenwoordigers uit de provincies, de Provinciale Staten. Omdat de Provinciale Staten wel rechstreeks door ons wordt gekozen elke vier jaar zijn de Eerste Kamerleden wel democratisch gekozen, maar omdat de opkomst bij verkiezingen voor de Provinciale Staten veel lager is dan bij Tweede Kamerverkiezingen vinden veel mensen dat de Eerste Kamer minder te zeggen moet hebben. In de praktijk hebben de leden ook een stuk minder middelen dan de Tweede Kamer.

De andere aard van de Eerste Kamer komt in uitdrukking in een andere functie. De Eerste Kamer (senaat) wordt ook wel de Kamer der Bezinning genoemd. Zij hebben als speciale taken om te kijken of wetgeving zorgvuldig tot stand is gekomen, dat er geen onvoorziene gevolgen zullen zijn, dat alles in overeenstemming is met de Grondwet en dat er geen mensenrechten in het gedrang komen door de nieuwe wet. De politieke afweging of dit is wat we willen is dus minder belangrijk dan bij de Tweede Kamer. In plaats van politici die in de volle belangstelling staan en aangesproken kunnen worden op hun ideeën kent de Eerste Kamer dan ook vooral ervaren politici en mensen die op andere terreinen ervaring hebben opgedaan. Kunde is belangrijker dan populariteit, zorgzuldig afwegen belangrijker dan een levendig debat.

Wetten maken

De Eerste Kamer heeft voor het maken van wetten alleen het stemrecht over wetsvoorstellen. Zonder instemming van een meerderheid van de Eerste Kamer komt er geen wet. Een voorstel mag echter niet veranderd worden en de leden mogen zelf geen wetsvoorstellen doen. In praktijk komt het een keer in de zoveel jaar voor dat de leden van de Eerste Kamer er achter komen dat een bepaald deel van een wet onvoorziene gevolgen heeft of tegen de Grondwet ingaat. Omdat ze de wet niet mogen veranderen zullen ze dus tegen de wet willen stemmen. Bij uitzondering trekt de minister dan het wetsvoorstel wel eens in, verandert wat er veranderd zou moeten worden en dient het opnieuw in bij de Tweede Kamer. Die kan er dan opnieuw over oordelen en als ze akkoord gaan komt het weer bij de Eerste Kamer. Dit 'verkapt amendement' gebeurt zelden, maar heeft als voordeel dat de procedure niet helemaal van voren opnieuw begonnen hoeft te worden (zie het artikel over hoe een wet tot stand komt).

Het controleren van de Regering

De Eerste Kamer kan net als de Tweede Kamer vragen stellen aan de ministers. Ze kennen echter door tijdgebrek geen mondeling vragenuurtje, alleen schriftelijke vragen. Interpellatie is ook mogelijk, maar hiervoor moet wel een meerderheid van de Eerste Kamer het er mee eens zijn. Ook het recht van enquete, het houden van een onderzoek, heeft de Eerste Kamer, maar daar hebben ze nog nooit gebruik van gemaakt. Na de afgelopen verkiezingen leek het er even op dat er voor het eerst een enquete van de Eerste Kamer zou komen, namelijk over de manier waarop Nederland bij de oorlog in Irak betrokken is geraakt. Dat is echter niet doorgegaan (zie ook het artikel over de relatie tussen kabinet en parlement).

De Eerste Kamer maakt wel gebruik van moties. Daarbij kan ook een motie van treurnis, afkeuring of wantrouwen worden gebruikt.

Tweede Kamer - afschaffen of houden?

Er zijn mensen die de Eerste Kamer liever zouden afschaffen. Anderen waarderen juist het bestaan van de kamer van bezinning. Hier de argumenten aan beide kanten.

De Eerste Kamer afschaffen omdat:

-         Het onnodig tijd en geld kost: de Tweede Kamer kan prima kijken naar de zorgvuldigheid van de wetgeving, dus de Eerste voegt niks toe.

-         Deze mensen niet rechtstreeks gekozen worden. De provinciale statenverkiezingen hebben een te lage opkomst om er nationale belangen aan te verbinden.

-         De Provinciale Statenverkiezingen alleen over lokale zaken zouden moeten gaan, niet over de samenstelling van de Eerste Kamer.

-         Het toetsen aan de Grondwet en de mensenrechten al gebeurt door de Raad van State.

-         Het gebruikt wordt om uitgerangeerde politici nog een leuk baantje te geven.

-         Niemand in Nederland precies weet wat het doet.

-         Het snelle veranderingen tegenhoudt: Omdat De verkiezingen voor de Eerste Kamer op een ander moment zijn dan die voor de Tweede moeten nieuw gekozen partijen nog jaren samenwerken met de oude partijen.

De Eerste Kamer houden omdat:

-         Het de belangrijke taak heeft om te voorkomen dat er fouten zitten in de wetgeving die grote gevolgen kunnen hebben voor de burgers.

-         Het een extra buffer biedt tegen de waan van de dag: omdat de Eerste Kamer op een ander moment gekozen wordt dan de Tweede zijn de samenstellingen van beide anders. De LPF is bijvoorbeeld in de Eerste Kamer nooit zo groot geweest als in de Tweede.

-         Er mensen inzitten die nog midden in de samenleving staan omdat ze part-time werken.

-         Er mensen inzitten die minder in de publieke belangstelling staan en dus boven de partij-politieke belangen kunnen uitstijgen om te zien wat er goed is voor Nederland.

-         De lokale belangen zo ook vertegenwoordigd kunnen worden in de nationale overheid.